Vervoeging van opjutten

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opjutten
to urge, to rouse
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)jut op
Verleden tijd (ik)jutte op
Voltooid deelwoordopgejut
Volledige vervoeging van het werkwoord opjutten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik jut op
jij jut op
u jut op
hij/zij/het jut op
wij jutten op
jullie jutten op
zij jutten op

Verleden tijd

ik jutte op
jij jutte op
u jutte op
hij/zij/het jutte op
wij jutten op
jullie jutten op
zij jutten op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opjut
(dat) jij opjut
(dat) u opjut
(dat) hij/zij/het opjut
(dat) wij opjutten
(dat) jullie opjutten
(dat) zij opjutten

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opjutte
(dat) jij opjutte
(dat) u opjutte
(dat) hij/zij/het opjutte
(dat) wij opjutten
(dat) jullie opjutten
(dat) zij opjutten

Gebiedende wijs

Imperatief

jut op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opjutten

Gerundium

opjutten

Onvoltooid deelwoord

opjuttend

Voltooid deelwoord

opgejut

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.