Vervoeging van ophitsen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

ophitsen
to egg on, to stir up, to provoke, to incite
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)hits op
Verleden tijd (ik)hitste op
Voltooid deelwoordopgehitst
Volledige vervoeging van het werkwoord ophitsen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik hits op
jij hitst op (inversie: hits op jij)
u hitst op
hij/zij/het hitst op
wij hitsen op
jullie hitsen op
zij hitsen op

Verleden tijd

ik hitste op
jij hitste op
u hitste op
hij/zij/het hitste op
wij hitsten op
jullie hitsten op
zij hitsten op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik ophits
(dat) jij ophitst
(dat) u ophitst
(dat) hij/zij/het ophitst
(dat) wij ophitsen
(dat) jullie ophitsen
(dat) zij ophitsen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik ophitste
(dat) jij ophitste
(dat) u ophitste
(dat) hij/zij/het ophitste
(dat) wij ophitsten
(dat) jullie ophitsten
(dat) zij ophitsten

Gebiedende wijs

Imperatief

hits op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

ophitsen

Gerundium

ophitsen

Onvoltooid deelwoord

ophitsend

Voltooid deelwoord

opgehitst

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.