to egg on, to stir up, to provoke, to incite
Tegenwoordige tijd (ik)hits op
Verleden tijd (ik)hitste op
Voltooid deelwoordopgehitst
Volledige vervoeging van het werkwoord ophitsen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik hits op
jij hitst op (inversie: hits op jij)
u hitst op
hij/zij/het hitst op
wij hitsen op
jullie hitsen op
zij hitsen op
Verleden tijd
ik hitste op
jij hitste op
u hitste op
hij/zij/het hitste op
wij hitsten op
jullie hitsten op
zij hitsten op
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik ophits
(dat) jij ophitst
(dat) u ophitst
(dat) hij/zij/het ophitst
(dat) wij ophitsen
(dat) jullie ophitsen
(dat) zij ophitsen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik ophitste
(dat) jij ophitste
(dat) u ophitste
(dat) hij/zij/het ophitste
(dat) wij ophitsten
(dat) jullie ophitsten
(dat) zij ophitsten
Gebiedende wijs
Imperatief
hits op
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
ophitsen
Gerundium
ophitsen
Onvoltooid deelwoord
ophitsend
Voltooid deelwoord
opgehitst
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.