Vervoeging van opfrissen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opfrissen
to freshen up, to wash up
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)fris op
Verleden tijd (ik)friste op
Voltooid deelwoordopgefrist
Volledige vervoeging van het werkwoord opfrissen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik fris op
jij frist op (inversie: fris op jij)
u frist op
hij/zij/het frist op
wij frissen op
jullie frissen op
zij frissen op

Verleden tijd

ik friste op
jij friste op
u friste op
hij/zij/het friste op
wij fristen op
jullie fristen op
zij fristen op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opfris
(dat) jij opfrist
(dat) u opfrist
(dat) hij/zij/het opfrist
(dat) wij opfrissen
(dat) jullie opfrissen
(dat) zij opfrissen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opfriste
(dat) jij opfriste
(dat) u opfriste
(dat) hij/zij/het opfriste
(dat) wij opfristen
(dat) jullie opfristen
(dat) zij opfristen

Gebiedende wijs

Imperatief

fris op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opfrissen

Gerundium

opfrissen

Onvoltooid deelwoord

opfrissend

Voltooid deelwoord

opgefrist

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.