to dry up
Tegenwoordige tijd (ik)droog op
Verleden tijd (ik)droogde op
Voltooid deelwoordopgedroogd
Volledige vervoeging van het werkwoord opdrogen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik droog op
jij droogt op (inversie: droog op jij)
u droogt op
hij/zij/het droogt op
wij drogen op
jullie drogen op
zij drogen op
Verleden tijd
ik droogde op
jij droogde op
u droogde op
hij/zij/het droogde op
wij droogden op
jullie droogden op
zij droogden op
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik opdroog
(dat) jij opdroogt
(dat) u opdroogt
(dat) hij/zij/het opdroogt
(dat) wij opdrogen
(dat) jullie opdrogen
(dat) zij opdrogen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik opdroogde
(dat) jij opdroogde
(dat) u opdroogde
(dat) hij/zij/het opdroogde
(dat) wij opdroogden
(dat) jullie opdroogden
(dat) zij opdroogden
Gebiedende wijs
Imperatief
droog op
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
opdrogen
Gerundium
opdrogen
Onvoltooid deelwoord
opdrogend
Voltooid deelwoord
opgedroogd
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.