to thrust or force something upon someone; to forcibly make someone accept something
Tegenwoordige tijd (ik)dring op
Verleden tijd (ik)drong op
Voltooid deelwoordopgedrongen
Volledige vervoeging van het werkwoord opdringen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik dring op
jij dringt op (inversie: dring op jij)
u dringt op
hij/zij/het dringt op
wij dringen op
jullie dringen op
zij dringen op
Verleden tijd
ik drong op
jij drong op
u drong op
hij/zij/het drong op
wij drongen op
jullie drongen op
zij drongen op
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik opdring
(dat) jij opdringt
(dat) u opdringt
(dat) hij/zij/het opdringt
(dat) wij opdringen
(dat) jullie opdringen
(dat) zij opdringen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik opdrong
(dat) jij opdrong
(dat) u opdrong
(dat) hij/zij/het opdrong
(dat) wij opdrongen
(dat) jullie opdrongen
(dat) zij opdrongen
Gebiedende wijs
Imperatief
dring op
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
opdringen
Gerundium
opdringen
Onvoltooid deelwoord
opdringend
Voltooid deelwoord
opgedrongen
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.