Vervoeging van opdragen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opdragen
to assign a duty to, to charge with
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)draag op
Verleden tijd (ik)droeg op
Voltooid deelwoordopgedragen
Volledige vervoeging van het werkwoord opdragen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik draag op
jij draagt op (inversie: draag op jij)
u draagt op
hij/zij/het draagt op
wij dragen op
jullie dragen op
zij dragen op

Verleden tijd

ik droeg op
jij droeg op
u droeg op
hij/zij/het droeg op
wij droegen op
jullie droegen op
zij droegen op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opdraag
(dat) jij opdraagt
(dat) u opdraagt
(dat) hij/zij/het opdraagt
(dat) wij opdragen
(dat) jullie opdragen
(dat) zij opdragen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opdroeg
(dat) jij opdroeg
(dat) u opdroeg
(dat) hij/zij/het opdroeg
(dat) wij opdroegen
(dat) jullie opdroegen
(dat) zij opdroegen

Gebiedende wijs

Imperatief

draag op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opdragen

Gerundium

opdragen

Onvoltooid deelwoord

opdragend

Voltooid deelwoord

opgedragen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.