Vervoeging van opbouwen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opbouwen
to build, to build up
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)bouw op
Verleden tijd (ik)bouwde op
Voltooid deelwoordopgebouwd
Volledige vervoeging van het werkwoord opbouwen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik bouw op
jij bouwt op (inversie: bouw op jij)
u bouwt op
hij/zij/het bouwt op
wij bouwen op
jullie bouwen op
zij bouwen op

Verleden tijd

ik bouwde op
jij bouwde op
u bouwde op
hij/zij/het bouwde op
wij bouwden op
jullie bouwden op
zij bouwden op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opbouw
(dat) jij opbouwt
(dat) u opbouwt
(dat) hij/zij/het opbouwt
(dat) wij opbouwen
(dat) jullie opbouwen
(dat) zij opbouwen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opbouwde
(dat) jij opbouwde
(dat) u opbouwde
(dat) hij/zij/het opbouwde
(dat) wij opbouwden
(dat) jullie opbouwden
(dat) zij opbouwden

Gebiedende wijs

Imperatief

bouw op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opbouwen

Gerundium

opbouwen

Onvoltooid deelwoord

opbouwend

Voltooid deelwoord

opgebouwd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.