Vervoeging van opbloeien

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opbloeien
to flourish
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)bloei op
Verleden tijd (ik)bloeide op
Voltooid deelwoordopgebloeid
Volledige vervoeging van het werkwoord opbloeien: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik bloei op
jij bloeit op (inversie: bloei op jij)
u bloeit op
hij/zij/het bloeit op
wij bloeien op
jullie bloeien op
zij bloeien op

Verleden tijd

ik bloeide op
jij bloeide op
u bloeide op
hij/zij/het bloeide op
wij bloeiden op
jullie bloeiden op
zij bloeiden op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opbloei
(dat) jij opbloeit
(dat) u opbloeit
(dat) hij/zij/het opbloeit
(dat) wij opbloeien
(dat) jullie opbloeien
(dat) zij opbloeien

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opbloeide
(dat) jij opbloeide
(dat) u opbloeide
(dat) hij/zij/het opbloeide
(dat) wij opbloeiden
(dat) jullie opbloeiden
(dat) zij opbloeiden

Gebiedende wijs

Imperatief

bloei op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opbloeien

Gerundium

opbloeien

Onvoltooid deelwoord

opbloeiend

Voltooid deelwoord

opgebloeid

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.