Vervoeging van opbellen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

opbellen
to call (up) (to contact by telephone)
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)bel op
Verleden tijd (ik)belde op
Voltooid deelwoordopgebeld
Volledige vervoeging van het werkwoord opbellen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik bel op
jij belt op (inversie: bel op jij)
u belt op
hij/zij/het belt op
wij bellen op
jullie bellen op
zij bellen op

Verleden tijd

ik belde op
jij belde op
u belde op
hij/zij/het belde op
wij belden op
jullie belden op
zij belden op

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik opbel
(dat) jij opbelt
(dat) u opbelt
(dat) hij/zij/het opbelt
(dat) wij opbellen
(dat) jullie opbellen
(dat) zij opbellen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik opbelde
(dat) jij opbelde
(dat) u opbelde
(dat) hij/zij/het opbelde
(dat) wij opbelden
(dat) jullie opbelden
(dat) zij opbelden

Gebiedende wijs

Imperatief

bel op

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

opbellen

Gerundium

opbellen

Onvoltooid deelwoord

opbellend

Voltooid deelwoord

opgebeld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.