2 verschillende werkwoorden « ontstelen »:
ontstelen — to deprive · ontstelen — to remove a stalk from fruit
to deprive
Tegenwoordige tijd (ik)ontsteel
Verleden tijd (ik)ontstal
Voltooid deelwoordontstolen
Volledige vervoeging van het werkwoord ontstelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik ontsteel
jij ontsteelt (inversie: ontsteel jij)
u ontsteelt
hij/zij/het ontsteelt
wij ontstelen
jullie ontstelen
zij ontstelen
Verleden tijd
ik ontstal
jij ontstal
u ontstal
hij/zij/het ontstal
wij ontstalen
jullie ontstalen
zij ontstalen
Gebiedende wijs
Imperatief
ontsteel
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
ontstelen
Gerundium
ontstelen
Onvoltooid deelwoord
ontstelend
Voltooid deelwoord
ontstolen
to remove a stalk from fruit
Tegenwoordige tijd (ik)ontsteel
Verleden tijd (ik)ontsteelde
Voltooid deelwoordontsteeld
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik ontsteel
jij ontsteelt (inversie: ontsteel jij)
u ontsteelt
hij/zij/het ontsteelt
wij ontstelen
jullie ontstelen
zij ontstelen
Verleden tijd
ik ontsteelde
jij ontsteelde
u ontsteelde
hij/zij/het ontsteelde
wij ontsteelden
jullie ontsteelden
zij ontsteelden
Gebiedende wijs
Imperatief
ontsteel
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
ontstelen
Gerundium
ontstelen
Onvoltooid deelwoord
ontstelend
Voltooid deelwoord
ontsteeld
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.