to take away someone's Belgianness
Tegenwoordige tijd (ik)ontbelg
Verleden tijd (ik)ontbelgde
Voltooid deelwoordontbelgd
Volledige vervoeging van het werkwoord ontbelgen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik ontbelg
jij ontbelgt (inversie: ontbelg jij)
u ontbelgt
hij/zij/het ontbelgt
wij ontbelgen
jullie ontbelgen
zij ontbelgen
Verleden tijd
ik ontbelgde
jij ontbelgde
u ontbelgde
hij/zij/het ontbelgde
wij ontbelgden
jullie ontbelgden
zij ontbelgden
Gebiedende wijs
Imperatief
ontbelg
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
ontbelgen
Gerundium
ontbelgen
Onvoltooid deelwoord
ontbelgend
Voltooid deelwoord
ontbelgd
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.