2 verschillende werkwoorden « ondergaan »:
ondergaan — to undergo, endure · ondergaan — to go down; to set
to undergo, endure
Tegenwoordige tijd (ik)onderga
Verleden tijd (ik)onderging
Voltooid deelwoordondergaan
Volledige vervoeging van het werkwoord ondergaan: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik onderga
jij ondergaat (inversie: onderga jij)
u ondergaat
hij/zij/het ondergaat
wij ondergaan
jullie ondergaan
zij ondergaan
Verleden tijd
ik onderging
jij onderging
u onderging
hij/zij/het onderging
wij ondergingen
jullie ondergingen
zij ondergingen
Gebiedende wijs
Imperatief
onderga
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
ondergaan
Gerundium
ondergaan
Onvoltooid deelwoord
ondergaand
Voltooid deelwoord
ondergaan
to go down; to set
Tegenwoordige tijd (ik)ga onder
Verleden tijd (ik)ging onder
Voltooid deelwoordondergegaan
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik ga onder
jij gaat onder (inversie: ga onder jij)
u gaat onder
hij/zij/het gaat onder
wij gaan onder
jullie gaan onder
zij gaan onder
Verleden tijd
ik ging onder
jij ging onder
u ging onder
hij/zij/het ging onder
wij gingen onder
jullie gingen onder
zij gingen onder
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik onderga
(dat) jij ondergaat
(dat) u ondergaat
(dat) hij/zij/het ondergaat
(dat) wij ondergaan
(dat) jullie ondergaan
(dat) zij ondergaan
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik onderging
(dat) jij onderging
(dat) u onderging
(dat) hij/zij/het onderging
(dat) wij ondergingen
(dat) jullie ondergingen
(dat) zij ondergingen
Gebiedende wijs
Imperatief
ga onder
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
ondergaan
Gerundium
ondergaan
Onvoltooid deelwoord
ondergaand
Voltooid deelwoord
ondergegaan
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.