Vervoeging van omspringen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

omspringen
to handle, to treat
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)spring om
Verleden tijd (ik)sprong om
Voltooid deelwoordomgesprongen
Volledige vervoeging van het werkwoord omspringen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik spring om
jij springt om (inversie: spring om jij)
u springt om
hij/zij/het springt om
wij springen om
jullie springen om
zij springen om

Verleden tijd

ik sprong om
jij sprong om
u sprong om
hij/zij/het sprong om
wij sprongen om
jullie sprongen om
zij sprongen om

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik omspring
(dat) jij omspringt
(dat) u omspringt
(dat) hij/zij/het omspringt
(dat) wij omspringen
(dat) jullie omspringen
(dat) zij omspringen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik omsprong
(dat) jij omsprong
(dat) u omsprong
(dat) hij/zij/het omsprong
(dat) wij omsprongen
(dat) jullie omsprongen
(dat) zij omsprongen

Gebiedende wijs

Imperatief

spring om

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

omspringen

Gerundium

omspringen

Onvoltooid deelwoord

omspringend

Voltooid deelwoord

omgesprongen

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.