Vervoeging van omleggen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

omleggen
to snuff, to off
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)leg om
Verleden tijd (ik)legde om
Voltooid deelwoordomgelegd
Volledige vervoeging van het werkwoord omleggen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik leg om
jij legt om (inversie: leg om jij)
u legt om
hij/zij/het legt om
wij leggen om
jullie leggen om
zij leggen om

Verleden tijd

ik legde om
jij legde om
u legde om
hij/zij/het legde om
wij legden om
jullie legden om
zij legden om

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik omleg
(dat) jij omlegt
(dat) u omlegt
(dat) hij/zij/het omlegt
(dat) wij omleggen
(dat) jullie omleggen
(dat) zij omleggen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik omlegde
(dat) jij omlegde
(dat) u omlegde
(dat) hij/zij/het omlegde
(dat) wij omlegden
(dat) jullie omlegden
(dat) zij omlegden

Gebiedende wijs

Imperatief

leg om

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

omleggen

Gerundium

omleggen

Onvoltooid deelwoord

omleggend

Voltooid deelwoord

omgelegd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.