Vervoeging van omkleden

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

2 verschillende werkwoorden « omkleden »: omkleden — to get changed, to change clothes, to re · omkleden — to surround with (something)
omkleden
to get changed, to change clothes, to reclothe
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)kleed om
Verleden tijd (ik)kleedde om
Voltooid deelwoordomgekleed
Volledige vervoeging van het werkwoord omkleden: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik kleed om
jij kleedt om (inversie: kleed om jij)
u kleedt om
hij/zij/het kleedt om
wij kleden om
jullie kleden om
zij kleden om

Verleden tijd

ik kleedde om
jij kleedde om
u kleedde om
hij/zij/het kleedde om
wij kleedden om
jullie kleedden om
zij kleedden om

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik omkleed
(dat) jij omkleedt
(dat) u omkleedt
(dat) hij/zij/het omkleedt
(dat) wij omkleden
(dat) jullie omkleden
(dat) zij omkleden

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik omkleedde
(dat) jij omkleedde
(dat) u omkleedde
(dat) hij/zij/het omkleedde
(dat) wij omkleedden
(dat) jullie omkleedden
(dat) zij omkleedden

Gebiedende wijs

Imperatief

kleed om

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

omkleden

Gerundium

omkleden

Onvoltooid deelwoord

omkledend

Voltooid deelwoord

omgekleed
omkleden
to surround with (something)
weak
Tegenwoordige tijd (ik)omkleed
Verleden tijd (ik)omkleedde
Voltooid deelwoordomkleed

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik omkleed
jij omkleedt (inversie: omkleed jij)
u omkleedt
hij/zij/het omkleedt
wij omkleden
jullie omkleden
zij omkleden

Verleden tijd

ik omkleedde
jij omkleedde
u omkleedde
hij/zij/het omkleedde
wij omkleedden
jullie omkleedden
zij omkleedden

Gebiedende wijs

Imperatief

omkleed

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

omkleden

Gerundium

omkleden

Onvoltooid deelwoord

omkledend

Voltooid deelwoord

omkleed

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.