to fall down, to collapse, to flop
Tegenwoordige tijd (ik)val neer
Verleden tijd (ik)viel neer
Voltooid deelwoordneergevallen
Volledige vervoeging van het werkwoord neervallen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik val neer
jij valt neer (inversie: val neer jij)
u valt neer
hij/zij/het valt neer
wij vallen neer
jullie vallen neer
zij vallen neer
Verleden tijd
ik viel neer
jij viel neer
u viel neer
hij/zij/het viel neer
wij vielen neer
jullie vielen neer
zij vielen neer
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik neerval
(dat) jij neervalt
(dat) u neervalt
(dat) hij/zij/het neervalt
(dat) wij neervallen
(dat) jullie neervallen
(dat) zij neervallen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik neerviel
(dat) jij neerviel
(dat) u neerviel
(dat) hij/zij/het neerviel
(dat) wij neervielen
(dat) jullie neervielen
(dat) zij neervielen
Gebiedende wijs
Imperatief
val neer
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
neervallen
Gerundium
neervallen
Onvoltooid deelwoord
neervallend
Voltooid deelwoord
neergevallen
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.