Vervoeging van nareizen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

nareizen
to travel later, after somebody else
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)reis na
Verleden tijd (ik)reisde na
Voltooid deelwoordnagereisd
Volledige vervoeging van het werkwoord nareizen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik reis na
jij reist na (inversie: reis na jij)
u reist na
hij/zij/het reist na
wij reizen na
jullie reizen na
zij reizen na

Verleden tijd

ik reisde na
jij reisde na
u reisde na
hij/zij/het reisde na
wij reisden na
jullie reisden na
zij reisden na

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik nareis
(dat) jij nareist
(dat) u nareist
(dat) hij/zij/het nareist
(dat) wij nareizen
(dat) jullie nareizen
(dat) zij nareizen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik nareisde
(dat) jij nareisde
(dat) u nareisde
(dat) hij/zij/het nareisde
(dat) wij nareisden
(dat) jullie nareisden
(dat) zij nareisden

Gebiedende wijs

Imperatief

reis na

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

nareizen

Gerundium

nareizen

Onvoltooid deelwoord

nareizend

Voltooid deelwoord

nagereisd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.