Vervoeging van nagelen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

nagelen
to nail, to fasten with nails
weak
Tegenwoordige tijd (ik)nagel
Verleden tijd (ik)nagelde
Voltooid deelwoordgenageld
Volledige vervoeging van het werkwoord nagelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik nagel
jij nagelt (inversie: nagel jij)
u nagelt
hij/zij/het nagelt
wij nagelen
jullie nagelen
zij nagelen

Verleden tijd

ik nagelde
jij nagelde
u nagelde
hij/zij/het nagelde
wij nagelden
jullie nagelden
zij nagelden

Gebiedende wijs

Imperatief

nagel

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

nagelen

Gerundium

nagelen

Onvoltooid deelwoord

nagelend

Voltooid deelwoord

genageld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.