to play a game, to take part in a competition
Tegenwoordige tijd (ik)speel mee
Verleden tijd (ik)speelde mee
Voltooid deelwoordmeegespeeld
Volledige vervoeging van het werkwoord meespelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik speel mee
jij speelt mee (inversie: speel mee jij)
u speelt mee
hij/zij/het speelt mee
wij spelen mee
jullie spelen mee
zij spelen mee
Verleden tijd
ik speelde mee
jij speelde mee
u speelde mee
hij/zij/het speelde mee
wij speelden mee
jullie speelden mee
zij speelden mee
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik meespeel
(dat) jij meespeelt
(dat) u meespeelt
(dat) hij/zij/het meespeelt
(dat) wij meespelen
(dat) jullie meespelen
(dat) zij meespelen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik meespeelde
(dat) jij meespeelde
(dat) u meespeelde
(dat) hij/zij/het meespeelde
(dat) wij meespeelden
(dat) jullie meespeelden
(dat) zij meespeelden
Gebiedende wijs
Imperatief
speel mee
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
meespelen
Gerundium
meespelen
Onvoltooid deelwoord
meespelend
Voltooid deelwoord
meegespeeld
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.