to inhale smoke from a nearby smoker
Tegenwoordige tijd (ik)rook mee
Verleden tijd (ik)rookte mee
Voltooid deelwoordmeegerookt
Volledige vervoeging van het werkwoord meeroken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik rook mee
jij rookt mee (inversie: rook mee jij)
u rookt mee
hij/zij/het rookt mee
wij roken mee
jullie roken mee
zij roken mee
Verleden tijd
ik rookte mee
jij rookte mee
u rookte mee
hij/zij/het rookte mee
wij rookten mee
jullie rookten mee
zij rookten mee
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik meerook
(dat) jij meerookt
(dat) u meerookt
(dat) hij/zij/het meerookt
(dat) wij meeroken
(dat) jullie meeroken
(dat) zij meeroken
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik meerookte
(dat) jij meerookte
(dat) u meerookte
(dat) hij/zij/het meerookte
(dat) wij meerookten
(dat) jullie meerookten
(dat) zij meerookten
Gebiedende wijs
Imperatief
rook mee
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
meeroken
Gerundium
meeroken
Onvoltooid deelwoord
meerokend
Voltooid deelwoord
meegerookt
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.