Vervoeging van meemaken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

meemaken
to participate in, attend
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)maak mee
Verleden tijd (ik)maakte mee
Voltooid deelwoordmeegemaakt
Volledige vervoeging van het werkwoord meemaken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik maak mee
jij maakt mee (inversie: maak mee jij)
u maakt mee
hij/zij/het maakt mee
wij maken mee
jullie maken mee
zij maken mee

Verleden tijd

ik maakte mee
jij maakte mee
u maakte mee
hij/zij/het maakte mee
wij maakten mee
jullie maakten mee
zij maakten mee

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik meemaak
(dat) jij meemaakt
(dat) u meemaakt
(dat) hij/zij/het meemaakt
(dat) wij meemaken
(dat) jullie meemaken
(dat) zij meemaken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik meemaakte
(dat) jij meemaakte
(dat) u meemaakte
(dat) hij/zij/het meemaakte
(dat) wij meemaakten
(dat) jullie meemaakten
(dat) zij meemaakten

Gebiedende wijs

Imperatief

maak mee

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

meemaken

Gerundium

meemaken

Onvoltooid deelwoord

meemakend

Voltooid deelwoord

meegemaakt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.