to lose, to cause (something) to cease to be in one's possession or capability
Tegenwoordige tijd (ik)raak kwijt
Verleden tijd (ik)raakte kwijt
Voltooid deelwoordkwijtgeraakt
Volledige vervoeging van het werkwoord kwijtraken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik raak kwijt
jij raakt kwijt (inversie: raak kwijt jij)
u raakt kwijt
hij/zij/het raakt kwijt
wij raken kwijt
jullie raken kwijt
zij raken kwijt
Verleden tijd
ik raakte kwijt
jij raakte kwijt
u raakte kwijt
hij/zij/het raakte kwijt
wij raakten kwijt
jullie raakten kwijt
zij raakten kwijt
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik kwijtraak
(dat) jij kwijtraakt
(dat) u kwijtraakt
(dat) hij/zij/het kwijtraakt
(dat) wij kwijtraken
(dat) jullie kwijtraken
(dat) zij kwijtraken
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik kwijtraakte
(dat) jij kwijtraakte
(dat) u kwijtraakte
(dat) hij/zij/het kwijtraakte
(dat) wij kwijtraakten
(dat) jullie kwijtraakten
(dat) zij kwijtraakten
Gebiedende wijs
Imperatief
raak kwijt
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
kwijtraken
Gerundium
kwijtraken
Onvoltooid deelwoord
kwijtrakend
Voltooid deelwoord
kwijtgeraakt
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.