Vervoeging van inwonen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

inwonen
to move in
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)woon in
Verleden tijd (ik)woonde in
Voltooid deelwoordingewoond
Volledige vervoeging van het werkwoord inwonen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik woon in
jij woont in (inversie: woon in jij)
u woont in
hij/zij/het woont in
wij wonen in
jullie wonen in
zij wonen in

Verleden tijd

ik woonde in
jij woonde in
u woonde in
hij/zij/het woonde in
wij woonden in
jullie woonden in
zij woonden in

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik inwoon
(dat) jij inwoont
(dat) u inwoont
(dat) hij/zij/het inwoont
(dat) wij inwonen
(dat) jullie inwonen
(dat) zij inwonen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik inwoonde
(dat) jij inwoonde
(dat) u inwoonde
(dat) hij/zij/het inwoonde
(dat) wij inwoonden
(dat) jullie inwoonden
(dat) zij inwoonden

Gebiedende wijs

Imperatief

woon in

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

inwonen

Gerundium

inwonen

Onvoltooid deelwoord

inwonend

Voltooid deelwoord

ingewoond

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.