to exchange (something) (to turn something in, in exchange for something else)
Tegenwoordige tijd (ik)wissel in
Verleden tijd (ik)wisselde in
Voltooid deelwoordingewisseld
Volledige vervoeging van het werkwoord inwisselen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik wissel in
jij wisselt in (inversie: wissel in jij)
u wisselt in
hij/zij/het wisselt in
wij wisselen in
jullie wisselen in
zij wisselen in
Verleden tijd
ik wisselde in
jij wisselde in
u wisselde in
hij/zij/het wisselde in
wij wisselden in
jullie wisselden in
zij wisselden in
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik inwissel
(dat) jij inwisselt
(dat) u inwisselt
(dat) hij/zij/het inwisselt
(dat) wij inwisselen
(dat) jullie inwisselen
(dat) zij inwisselen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik inwisselde
(dat) jij inwisselde
(dat) u inwisselde
(dat) hij/zij/het inwisselde
(dat) wij inwisselden
(dat) jullie inwisselden
(dat) zij inwisselden
Gebiedende wijs
Imperatief
wissel in
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
inwisselen
Gerundium
inwisselen
Onvoltooid deelwoord
inwisselend
Voltooid deelwoord
ingewisseld
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.