Vervoeging van invorderen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

invorderen
to confiscate
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)vorder in
Verleden tijd (ik)vorderde in
Voltooid deelwoordingevorderd
Volledige vervoeging van het werkwoord invorderen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik vorder in
jij vordert in (inversie: vorder in jij)
u vordert in
hij/zij/het vordert in
wij vorderen in
jullie vorderen in
zij vorderen in

Verleden tijd

ik vorderde in
jij vorderde in
u vorderde in
hij/zij/het vorderde in
wij vorderden in
jullie vorderden in
zij vorderden in

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik invorder
(dat) jij invordert
(dat) u invordert
(dat) hij/zij/het invordert
(dat) wij invorderen
(dat) jullie invorderen
(dat) zij invorderen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik invorderde
(dat) jij invorderde
(dat) u invorderde
(dat) hij/zij/het invorderde
(dat) wij invorderden
(dat) jullie invorderden
(dat) zij invorderden

Gebiedende wijs

Imperatief

vorder in

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

invorderen

Gerundium

invorderen

Onvoltooid deelwoord

invorderend

Voltooid deelwoord

ingevorderd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.