to ship, to embark, to embarge
Tegenwoordige tijd (ik)scheep in
Verleden tijd (ik)scheepte in
Voltooid deelwoordingescheept
Volledige vervoeging van het werkwoord inschepen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik scheep in
jij scheept in (inversie: scheep in jij)
u scheept in
hij/zij/het scheept in
wij schepen in
jullie schepen in
zij schepen in
Verleden tijd
ik scheepte in
jij scheepte in
u scheepte in
hij/zij/het scheepte in
wij scheepten in
jullie scheepten in
zij scheepten in
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik inscheep
(dat) jij inscheept
(dat) u inscheept
(dat) hij/zij/het inscheept
(dat) wij inschepen
(dat) jullie inschepen
(dat) zij inschepen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik inscheepte
(dat) jij inscheepte
(dat) u inscheepte
(dat) hij/zij/het inscheepte
(dat) wij inscheepten
(dat) jullie inscheepten
(dat) zij inscheepten
Gebiedende wijs
Imperatief
scheep in
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
inschepen
Gerundium
inschepen
Onvoltooid deelwoord
inschepend
Voltooid deelwoord
ingescheept
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.