to turn into a polder
Tegenwoordige tijd (ik)polder in
Verleden tijd (ik)polderde in
Voltooid deelwoordingepolderd
Volledige vervoeging van het werkwoord inpolderen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik polder in
jij poldert in (inversie: polder in jij)
u poldert in
hij/zij/het poldert in
wij polderen in
jullie polderen in
zij polderen in
Verleden tijd
ik polderde in
jij polderde in
u polderde in
hij/zij/het polderde in
wij polderden in
jullie polderden in
zij polderden in
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik inpolder
(dat) jij inpoldert
(dat) u inpoldert
(dat) hij/zij/het inpoldert
(dat) wij inpolderen
(dat) jullie inpolderen
(dat) zij inpolderen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik inpolderde
(dat) jij inpolderde
(dat) u inpolderde
(dat) hij/zij/het inpolderde
(dat) wij inpolderden
(dat) jullie inpolderden
(dat) zij inpolderden
Gebiedende wijs
Imperatief
polder in
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
inpolderen
Gerundium
inpolderen
Onvoltooid deelwoord
inpolderend
Voltooid deelwoord
ingepolderd
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.