Vervoeging van inkorten

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

inkorten
to make shorter: to shorten, to abridge, to curtail, abbreviate, to cut down, to contract
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)kort in
Verleden tijd (ik)kortte in
Voltooid deelwoordingekort
Volledige vervoeging van het werkwoord inkorten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik kort in
jij kort in
u kort in
hij/zij/het kort in
wij korten in
jullie korten in
zij korten in

Verleden tijd

ik kortte in
jij kortte in
u kortte in
hij/zij/het kortte in
wij kortten in
jullie kortten in
zij kortten in

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik inkort
(dat) jij inkort
(dat) u inkort
(dat) hij/zij/het inkort
(dat) wij inkorten
(dat) jullie inkorten
(dat) zij inkorten

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik inkortte
(dat) jij inkortte
(dat) u inkortte
(dat) hij/zij/het inkortte
(dat) wij inkortten
(dat) jullie inkortten
(dat) zij inkortten

Gebiedende wijs

Imperatief

kort in

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

inkorten

Gerundium

inkorten

Onvoltooid deelwoord

inkortend

Voltooid deelwoord

ingekort

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.