to make shorter: to shorten, to abridge, to curtail, abbreviate, to cut down, to contract
Tegenwoordige tijd (ik)kort in
Verleden tijd (ik)kortte in
Voltooid deelwoordingekort
Volledige vervoeging van het werkwoord inkorten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik kort in
jij kort in
u kort in
hij/zij/het kort in
wij korten in
jullie korten in
zij korten in
Verleden tijd
ik kortte in
jij kortte in
u kortte in
hij/zij/het kortte in
wij kortten in
jullie kortten in
zij kortten in
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik inkort
(dat) jij inkort
(dat) u inkort
(dat) hij/zij/het inkort
(dat) wij inkorten
(dat) jullie inkorten
(dat) zij inkorten
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik inkortte
(dat) jij inkortte
(dat) u inkortte
(dat) hij/zij/het inkortte
(dat) wij inkortten
(dat) jullie inkortten
(dat) zij inkortten
Gebiedende wijs
Imperatief
kort in
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
inkorten
Gerundium
inkorten
Onvoltooid deelwoord
inkortend
Voltooid deelwoord
ingekort
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.