to go against [with in], to be incompatible [with tegen ‘with’], to clash
Tegenwoordige tijd (ik)druis in
Verleden tijd (ik)druiste in
Voltooid deelwoordingedruist
Volledige vervoeging van het werkwoord indruisen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik druis in
jij druist in (inversie: druis in jij)
u druist in
hij/zij/het druist in
wij druisen in
jullie druisen in
zij druisen in
Verleden tijd
ik druiste in
jij druiste in
u druiste in
hij/zij/het druiste in
wij druisten in
jullie druisten in
zij druisten in
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik indruis
(dat) jij indruist
(dat) u indruist
(dat) hij/zij/het indruist
(dat) wij indruisen
(dat) jullie indruisen
(dat) zij indruisen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik indruiste
(dat) jij indruiste
(dat) u indruiste
(dat) hij/zij/het indruiste
(dat) wij indruisten
(dat) jullie indruisten
(dat) zij indruisten
Gebiedende wijs
Imperatief
druis in
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
indruisen
Gerundium
indruisen
Onvoltooid deelwoord
indruisend
Voltooid deelwoord
ingedruist
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.