Vervoeging van hockeyen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

hockeyen
to play hockey, to play field hockey
weak
Tegenwoordige tijd (ik)hockey
Verleden tijd (ik)hockeyde
Voltooid deelwoordgehockeyd
Volledige vervoeging van het werkwoord hockeyen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik hockey
jij hockeyt (inversie: hockey jij)
u hockeyt
hij/zij/het hockeyt
wij hockeyen
jullie hockeyen
zij hockeyen

Verleden tijd

ik hockeyde
jij hockeyde
u hockeyde
hij/zij/het hockeyde
wij hockeyden
jullie hockeyden
zij hockeyden

Gebiedende wijs

Imperatief

hockey

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

hockeyen

Gerundium

hockeyen

Onvoltooid deelwoord

hockeyend

Voltooid deelwoord

gehockeyd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.