2 verschillende werkwoorden « heten »:
heten — to be named; to have as name; to be call · heten — to heat, make warmer
to be named; to have as name; to be called
Tegenwoordige tijd (ik)heet
Verleden tijd (ik)heette
Voltooid deelwoordgeheten
Volledige vervoeging van het werkwoord heten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik heet
jij heet
u heet
hij/zij/het heet
wij heten
jullie heten
zij heten
Verleden tijd
ik heette
jij heette
u heette
hij/zij/het heette
wij heetten
jullie heetten
zij heetten
Gebiedende wijs
Imperatief
heet
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
heten
Gerundium
heten
Onvoltooid deelwoord
hetend
Voltooid deelwoord
geheten
to heat, make warmer
Tegenwoordige tijd (ik)heet
Verleden tijd (ik)heette
Voltooid deelwoordgeheet
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik heet
jij heet
u heet
hij/zij/het heet
wij heten
jullie heten
zij heten
Verleden tijd
ik heette
jij heette
u heette
hij/zij/het heette
wij heetten
jullie heetten
zij heetten
Gebiedende wijs
Imperatief
heet
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
heten
Gerundium
heten
Onvoltooid deelwoord
hetend
Voltooid deelwoord
geheet
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.