Vervoeging van fonkelen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

fonkelen
to twinkle, sparkle
weak
Tegenwoordige tijd (ik)fonkel
Verleden tijd (ik)fonkelde
Voltooid deelwoordgefonkeld
Volledige vervoeging van het werkwoord fonkelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik fonkel
jij fonkelt (inversie: fonkel jij)
u fonkelt
hij/zij/het fonkelt
wij fonkelen
jullie fonkelen
zij fonkelen

Verleden tijd

ik fonkelde
jij fonkelde
u fonkelde
hij/zij/het fonkelde
wij fonkelden
jullie fonkelden
zij fonkelden

Gebiedende wijs

Imperatief

fonkel

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

fonkelen

Gerundium

fonkelen

Onvoltooid deelwoord

fonkelend

Voltooid deelwoord

gefonkeld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.