Vervoeging van copuleren

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

copuleren
to copulate, to mate
weak
Tegenwoordige tijd (ik)copuleer
Verleden tijd (ik)copuleerde
Voltooid deelwoordgecopuleerd
Volledige vervoeging van het werkwoord copuleren: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik copuleer
jij copuleert (inversie: copuleer jij)
u copuleert
hij/zij/het copuleert
wij copuleren
jullie copuleren
zij copuleren

Verleden tijd

ik copuleerde
jij copuleerde
u copuleerde
hij/zij/het copuleerde
wij copuleerden
jullie copuleerden
zij copuleerden

Gebiedende wijs

Imperatief

copuleer

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

copuleren

Gerundium

copuleren

Onvoltooid deelwoord

copulerend

Voltooid deelwoord

gecopuleerd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.