to come to the aid (of), to come to someone's aid
Tegenwoordige tijd (ik)schiet bij
Verleden tijd (ik)schoot bij
Voltooid deelwoordbijgeschoten
Volledige vervoeging van het werkwoord bijschieten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik schiet bij
jij schiet bij
u schiet bij
hij/zij/het schiet bij
wij schieten bij
jullie schieten bij
zij schieten bij
Verleden tijd
ik schoot bij
jij schoot bij
u schoot bij
hij/zij/het schoot bij
wij schoten bij
jullie schoten bij
zij schoten bij
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik bijschiet
(dat) jij bijschiet
(dat) u bijschiet
(dat) hij/zij/het bijschiet
(dat) wij bijschieten
(dat) jullie bijschieten
(dat) zij bijschieten
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik bijschoot
(dat) jij bijschoot
(dat) u bijschoot
(dat) hij/zij/het bijschoot
(dat) wij bijschoten
(dat) jullie bijschoten
(dat) zij bijschoten
Gebiedende wijs
Imperatief
schiet bij
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
bijschieten
Gerundium
bijschieten
Onvoltooid deelwoord
bijschietend
Voltooid deelwoord
bijgeschoten
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.