to cancel (an arrangement, appointment etc.)
Tegenwoordige tijd (ik)zeg af
Verleden tijd (ik)zei af / zegde af
Voltooid deelwoordafgezegd
Volledige vervoeging van het werkwoord afzeggen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik zeg af
jij zegt af (inversie: zeg af jij)
u zegt af
hij/zij/het zegt af
wij zeggen af
jullie zeggen af
zij zeggen af
Verleden tijd
ik zei af / zegde af
jij zei af (inversie: zegde af jij)
u zei af / zegde af
hij/zij/het zei af / zegde af
wij zeiden af / zegden af
jullie zeiden af / zegden af
zij zeiden af / zegden af
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik afzeg
(dat) jij afzegt
(dat) u afzegt
(dat) hij/zij/het afzegt
(dat) wij afzeggen
(dat) jullie afzeggen
(dat) zij afzeggen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik afzei / afzegde
(dat) jij afzei / afzegde
(dat) u afzei / afzegde
(dat) hij/zij/het afzei / afzegde
(dat) wij afzeiden / afzegden
(dat) jullie afzeiden / afzegden
(dat) zij afzeiden / afzegden
Gebiedende wijs
Imperatief
zeg af
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
afzeggen
Gerundium
afzeggen
Onvoltooid deelwoord
afzeggend
Voltooid deelwoord
afgezegd
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.