to unlearn, to lose or kick a habit
Tegenwoordige tijd (ik)wen af
Verleden tijd (ik)wende af
Voltooid deelwoordafgewend
Volledige vervoeging van het werkwoord afwennen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik wen af
jij went af (inversie: wen af jij)
u went af
hij/zij/het went af
wij wennen af
jullie wennen af
zij wennen af
Verleden tijd
ik wende af
jij wende af
u wende af
hij/zij/het wende af
wij wenden af
jullie wenden af
zij wenden af
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik afwen
(dat) jij afwent
(dat) u afwent
(dat) hij/zij/het afwent
(dat) wij afwennen
(dat) jullie afwennen
(dat) zij afwennen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik afwende
(dat) jij afwende
(dat) u afwende
(dat) hij/zij/het afwende
(dat) wij afwenden
(dat) jullie afwenden
(dat) zij afwenden
Gebiedende wijs
Imperatief
wen af
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
afwennen
Gerundium
afwennen
Onvoltooid deelwoord
afwennend
Voltooid deelwoord
afgewend
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.