to fire, to fire off (a weapon, projectile)
Tegenwoordige tijd (ik)vuur af
Verleden tijd (ik)vuurde af
Voltooid deelwoordafgevuurd
Volledige vervoeging van het werkwoord afvuren: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik vuur af
jij vuurt af (inversie: vuur af jij)
u vuurt af
hij/zij/het vuurt af
wij vuren af
jullie vuren af
zij vuren af
Verleden tijd
ik vuurde af
jij vuurde af
u vuurde af
hij/zij/het vuurde af
wij vuurden af
jullie vuurden af
zij vuurden af
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik afvuur
(dat) jij afvuurt
(dat) u afvuurt
(dat) hij/zij/het afvuurt
(dat) wij afvuren
(dat) jullie afvuren
(dat) zij afvuren
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik afvuurde
(dat) jij afvuurde
(dat) u afvuurde
(dat) hij/zij/het afvuurde
(dat) wij afvuurden
(dat) jullie afvuurden
(dat) zij afvuurden
Gebiedende wijs
Imperatief
vuur af
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
afvuren
Gerundium
afvuren
Onvoltooid deelwoord
afvurend
Voltooid deelwoord
afgevuurd
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.