Vervoeging van afvaardigen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afvaardigen
to delegate
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)vaardig af
Verleden tijd (ik)vaardigde af
Voltooid deelwoordafgevaardigd
Volledige vervoeging van het werkwoord afvaardigen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik vaardig af
jij vaardigt af (inversie: vaardig af jij)
u vaardigt af
hij/zij/het vaardigt af
wij vaardigen af
jullie vaardigen af
zij vaardigen af

Verleden tijd

ik vaardigde af
jij vaardigde af
u vaardigde af
hij/zij/het vaardigde af
wij vaardigden af
jullie vaardigden af
zij vaardigden af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afvaardig
(dat) jij afvaardigt
(dat) u afvaardigt
(dat) hij/zij/het afvaardigt
(dat) wij afvaardigen
(dat) jullie afvaardigen
(dat) zij afvaardigen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afvaardigde
(dat) jij afvaardigde
(dat) u afvaardigde
(dat) hij/zij/het afvaardigde
(dat) wij afvaardigden
(dat) jullie afvaardigden
(dat) zij afvaardigden

Gebiedende wijs

Imperatief

vaardig af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afvaardigen

Gerundium

afvaardigen

Onvoltooid deelwoord

afvaardigend

Voltooid deelwoord

afgevaardigd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.