to unfairly obtain through smooth talking, insisting, pleading etc.; to cadge
Tegenwoordige tijd (ik)troggel af
Verleden tijd (ik)troggelde af
Voltooid deelwoordafgetroggeld
Volledige vervoeging van het werkwoord aftroggelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik troggel af
jij troggelt af (inversie: troggel af jij)
u troggelt af
hij/zij/het troggelt af
wij troggelen af
jullie troggelen af
zij troggelen af
Verleden tijd
ik troggelde af
jij troggelde af
u troggelde af
hij/zij/het troggelde af
wij troggelden af
jullie troggelden af
zij troggelden af
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik aftroggel
(dat) jij aftroggelt
(dat) u aftroggelt
(dat) hij/zij/het aftroggelt
(dat) wij aftroggelen
(dat) jullie aftroggelen
(dat) zij aftroggelen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik aftroggelde
(dat) jij aftroggelde
(dat) u aftroggelde
(dat) hij/zij/het aftroggelde
(dat) wij aftroggelden
(dat) jullie aftroggelden
(dat) zij aftroggelden
Gebiedende wijs
Imperatief
troggel af
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
aftroggelen
Gerundium
aftroggelen
Onvoltooid deelwoord
aftroggelend
Voltooid deelwoord
afgetroggeld
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.