to strike (a match, to attempt to ignite it)
Tegenwoordige tijd (ik)strijk af
Verleden tijd (ik)streek af
Voltooid deelwoordafgestreken
Volledige vervoeging van het werkwoord afstrijken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik strijk af
jij strijkt af (inversie: strijk af jij)
u strijkt af
hij/zij/het strijkt af
wij strijken af
jullie strijken af
zij strijken af
Verleden tijd
ik streek af
jij streek af
u streek af
hij/zij/het streek af
wij streeken af
jullie streeken af
zij streeken af
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik afstrijk
(dat) jij afstrijkt
(dat) u afstrijkt
(dat) hij/zij/het afstrijkt
(dat) wij afstrijken
(dat) jullie afstrijken
(dat) zij afstrijken
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik afstreek
(dat) jij afstreek
(dat) u afstreek
(dat) hij/zij/het afstreek
(dat) wij afstreeken
(dat) jullie afstreeken
(dat) zij afstreeken
Gebiedende wijs
Imperatief
strijk af
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
afstrijken
Gerundium
afstrijken
Onvoltooid deelwoord
afstrijkend
Voltooid deelwoord
afgestreken
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.