Vervoeging van afstraffen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afstraffen
to punish
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)straf af
Verleden tijd (ik)strafte af
Voltooid deelwoordafgestraft
Volledige vervoeging van het werkwoord afstraffen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik straf af
jij straft af (inversie: straf af jij)
u straft af
hij/zij/het straft af
wij straffen af
jullie straffen af
zij straffen af

Verleden tijd

ik strafte af
jij strafte af
u strafte af
hij/zij/het strafte af
wij straften af
jullie straften af
zij straften af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afstraf
(dat) jij afstraft
(dat) u afstraft
(dat) hij/zij/het afstraft
(dat) wij afstraffen
(dat) jullie afstraffen
(dat) zij afstraffen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afstrafte
(dat) jij afstrafte
(dat) u afstrafte
(dat) hij/zij/het afstrafte
(dat) wij afstraften
(dat) jullie afstraften
(dat) zij afstraften

Gebiedende wijs

Imperatief

straf af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afstraffen

Gerundium

afstraffen

Onvoltooid deelwoord

afstraffend

Voltooid deelwoord

afgestraft

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.