Vervoeging van afspreken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afspreken
to agree, to make an agreement
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)spreek af
Verleden tijd (ik)sprak af
Voltooid deelwoordafgesproken
Volledige vervoeging van het werkwoord afspreken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik spreek af
jij spreekt af (inversie: spreek af jij)
u spreekt af
hij/zij/het spreekt af
wij spreken af
jullie spreken af
zij spreken af

Verleden tijd

ik sprak af
jij sprak af
u sprak af
hij/zij/het sprak af
wij spraken af
jullie spraken af
zij spraken af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afspreek
(dat) jij afspreekt
(dat) u afspreekt
(dat) hij/zij/het afspreekt
(dat) wij afspreken
(dat) jullie afspreken
(dat) zij afspreken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afsprak
(dat) jij afsprak
(dat) u afsprak
(dat) hij/zij/het afsprak
(dat) wij afspraken
(dat) jullie afspraken
(dat) zij afspraken

Gebiedende wijs

Imperatief

spreek af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afspreken

Gerundium

afspreken

Onvoltooid deelwoord

afsprekend

Voltooid deelwoord

afgesproken

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.