Vervoeging van afspiegelen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afspiegelen
to be reflected, to be shown
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)spiegel af
Verleden tijd (ik)spiegelde af
Voltooid deelwoordafgespiegeld
Volledige vervoeging van het werkwoord afspiegelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik spiegel af
jij spiegelt af (inversie: spiegel af jij)
u spiegelt af
hij/zij/het spiegelt af
wij spiegelen af
jullie spiegelen af
zij spiegelen af

Verleden tijd

ik spiegelde af
jij spiegelde af
u spiegelde af
hij/zij/het spiegelde af
wij spiegelden af
jullie spiegelden af
zij spiegelden af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afspiegel
(dat) jij afspiegelt
(dat) u afspiegelt
(dat) hij/zij/het afspiegelt
(dat) wij afspiegelen
(dat) jullie afspiegelen
(dat) zij afspiegelen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afspiegelde
(dat) jij afspiegelde
(dat) u afspiegelde
(dat) hij/zij/het afspiegelde
(dat) wij afspiegelden
(dat) jullie afspiegelden
(dat) zij afspiegelden

Gebiedende wijs

Imperatief

spiegel af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afspiegelen

Gerundium

afspiegelen

Onvoltooid deelwoord

afspiegelend

Voltooid deelwoord

afgespiegeld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.