to be reflected, to be shown
Tegenwoordige tijd (ik)spiegel af
Verleden tijd (ik)spiegelde af
Voltooid deelwoordafgespiegeld
Volledige vervoeging van het werkwoord afspiegelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik spiegel af
jij spiegelt af (inversie: spiegel af jij)
u spiegelt af
hij/zij/het spiegelt af
wij spiegelen af
jullie spiegelen af
zij spiegelen af
Verleden tijd
ik spiegelde af
jij spiegelde af
u spiegelde af
hij/zij/het spiegelde af
wij spiegelden af
jullie spiegelden af
zij spiegelden af
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik afspiegel
(dat) jij afspiegelt
(dat) u afspiegelt
(dat) hij/zij/het afspiegelt
(dat) wij afspiegelen
(dat) jullie afspiegelen
(dat) zij afspiegelen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik afspiegelde
(dat) jij afspiegelde
(dat) u afspiegelde
(dat) hij/zij/het afspiegelde
(dat) wij afspiegelden
(dat) jullie afspiegelden
(dat) zij afspiegelden
Gebiedende wijs
Imperatief
spiegel af
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
afspiegelen
Gerundium
afspiegelen
Onvoltooid deelwoord
afspiegelend
Voltooid deelwoord
afgespiegeld
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.