Vervoeging van afspelen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afspelen
to play (a recording)
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)speel af
Verleden tijd (ik)speelde af
Voltooid deelwoordafgespeeld
Volledige vervoeging van het werkwoord afspelen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik speel af
jij speelt af (inversie: speel af jij)
u speelt af
hij/zij/het speelt af
wij spelen af
jullie spelen af
zij spelen af

Verleden tijd

ik speelde af
jij speelde af
u speelde af
hij/zij/het speelde af
wij speelden af
jullie speelden af
zij speelden af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afspeel
(dat) jij afspeelt
(dat) u afspeelt
(dat) hij/zij/het afspeelt
(dat) wij afspelen
(dat) jullie afspelen
(dat) zij afspelen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afspeelde
(dat) jij afspeelde
(dat) u afspeelde
(dat) hij/zij/het afspeelde
(dat) wij afspeelden
(dat) jullie afspeelden
(dat) zij afspeelden

Gebiedende wijs

Imperatief

speel af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afspelen

Gerundium

afspelen

Onvoltooid deelwoord

afspelend

Voltooid deelwoord

afgespeeld

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.