Vervoeging van afsnauwen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afsnauwen
to curtly tell someone off, to rebuke harshly
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)snauw af
Verleden tijd (ik)snauwde af
Voltooid deelwoordafgesnauwd
Volledige vervoeging van het werkwoord afsnauwen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik snauw af
jij snauwt af (inversie: snauw af jij)
u snauwt af
hij/zij/het snauwt af
wij snauwen af
jullie snauwen af
zij snauwen af

Verleden tijd

ik snauwde af
jij snauwde af
u snauwde af
hij/zij/het snauwde af
wij snauwden af
jullie snauwden af
zij snauwden af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afsnauw
(dat) jij afsnauwt
(dat) u afsnauwt
(dat) hij/zij/het afsnauwt
(dat) wij afsnauwen
(dat) jullie afsnauwen
(dat) zij afsnauwen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afsnauwde
(dat) jij afsnauwde
(dat) u afsnauwde
(dat) hij/zij/het afsnauwde
(dat) wij afsnauwden
(dat) jullie afsnauwden
(dat) zij afsnauwden

Gebiedende wijs

Imperatief

snauw af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afsnauwen

Gerundium

afsnauwen

Onvoltooid deelwoord

afsnauwend

Voltooid deelwoord

afgesnauwd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.