Vervoeging van afsluiten

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afsluiten
to close off, seal
separable strong
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)sluit af
Verleden tijd (ik)sloot af
Voltooid deelwoordafgesloten
Volledige vervoeging van het werkwoord afsluiten: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik sluit af
jij sluit af
u sluit af
hij/zij/het sluit af
wij sluiten af
jullie sluiten af
zij sluiten af

Verleden tijd

ik sloot af
jij sloot af
u sloot af
hij/zij/het sloot af
wij sloten af
jullie sloten af
zij sloten af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afsluit
(dat) jij afsluit
(dat) u afsluit
(dat) hij/zij/het afsluit
(dat) wij afsluiten
(dat) jullie afsluiten
(dat) zij afsluiten

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afsloot
(dat) jij afsloot
(dat) u afsloot
(dat) hij/zij/het afsloot
(dat) wij afsloten
(dat) jullie afsloten
(dat) zij afsloten

Gebiedende wijs

Imperatief

sluit af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afsluiten

Gerundium

afsluiten

Onvoltooid deelwoord

afsluitend

Voltooid deelwoord

afgesloten

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.