Vervoeging van afschalen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afschalen
to scale down
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)schaal af
Verleden tijd (ik)schaalde af
Voltooid deelwoordafgeschaald
Volledige vervoeging van het werkwoord afschalen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik schaal af
jij schaalt af (inversie: schaal af jij)
u schaalt af
hij/zij/het schaalt af
wij schalen af
jullie schalen af
zij schalen af

Verleden tijd

ik schaalde af
jij schaalde af
u schaalde af
hij/zij/het schaalde af
wij schaalden af
jullie schaalden af
zij schaalden af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afschaal
(dat) jij afschaalt
(dat) u afschaalt
(dat) hij/zij/het afschaalt
(dat) wij afschalen
(dat) jullie afschalen
(dat) zij afschalen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afschaalde
(dat) jij afschaalde
(dat) u afschaalde
(dat) hij/zij/het afschaalde
(dat) wij afschaalden
(dat) jullie afschaalden
(dat) zij afschaalden

Gebiedende wijs

Imperatief

schaal af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afschalen

Gerundium

afschalen

Onvoltooid deelwoord

afschalend

Voltooid deelwoord

afgeschaald

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.