Vervoeging van afremmen

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afremmen
to slow down
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)rem af
Verleden tijd (ik)remde af
Voltooid deelwoordafgeremd
Volledige vervoeging van het werkwoord afremmen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik rem af
jij remt af (inversie: rem af jij)
u remt af
hij/zij/het remt af
wij remmen af
jullie remmen af
zij remmen af

Verleden tijd

ik remde af
jij remde af
u remde af
hij/zij/het remde af
wij remden af
jullie remden af
zij remden af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afrem
(dat) jij afremt
(dat) u afremt
(dat) hij/zij/het afremt
(dat) wij afremmen
(dat) jullie afremmen
(dat) zij afremmen

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afremde
(dat) jij afremde
(dat) u afremde
(dat) hij/zij/het afremde
(dat) wij afremden
(dat) jullie afremden
(dat) zij afremden

Gebiedende wijs

Imperatief

rem af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afremmen

Gerundium

afremmen

Onvoltooid deelwoord

afremmend

Voltooid deelwoord

afgeremd

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.