to pay (a purchase, an owed amount)
Tegenwoordige tijd (ik)reken af
Verleden tijd (ik)rekende af
Voltooid deelwoordafgerekend
Volledige vervoeging van het werkwoord afrekenen: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.
Indicatief
Tegenwoordige tijd
ik reken af
jij rekent af (inversie: reken af jij)
u rekent af
hij/zij/het rekent af
wij rekenen af
jullie rekenen af
zij rekenen af
Verleden tijd
ik rekende af
jij rekende af
u rekende af
hij/zij/het rekende af
wij rekenden af
jullie rekenden af
zij rekenden af
Tegenwoordige tijd (bijzin)
(dat) ik afreken
(dat) jij afrekent
(dat) u afrekent
(dat) hij/zij/het afrekent
(dat) wij afrekenen
(dat) jullie afrekenen
(dat) zij afrekenen
Verleden tijd (bijzin)
(dat) ik afrekende
(dat) jij afrekende
(dat) u afrekende
(dat) hij/zij/het afrekende
(dat) wij afrekenden
(dat) jullie afrekenden
(dat) zij afrekenden
Gebiedende wijs
Imperatief
reken af
Onpersoonlijke vormen
Infinitief
afrekenen
Gerundium
afrekenen
Onvoltooid deelwoord
afrekenend
Voltooid deelwoord
afgerekend
Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.