Vervoeging van afpreken

Alle vormen van het Nederlandse werkwoord.

afpreken
to sermonise, to reproach at length
separable weak
scheidbaar
Tegenwoordige tijd (ik)preek af
Verleden tijd (ik)preekte af
Voltooid deelwoordafgepreekt
Volledige vervoeging van het werkwoord afpreken: tegenwoordige tijd, verleden tijd, voltooid deelwoord, gebiedende wijs en onpersoonlijke vormen — bij scheidbare werkwoorden ook in de bijzin.

Indicatief

Tegenwoordige tijd

ik preek af
jij preekt af (inversie: preek af jij)
u preekt af
hij/zij/het preekt af
wij preken af
jullie preken af
zij preken af

Verleden tijd

ik preekte af
jij preekte af
u preekte af
hij/zij/het preekte af
wij preekten af
jullie preekten af
zij preekten af

Tegenwoordige tijd (bijzin)

(dat) ik afpreek
(dat) jij afpreekt
(dat) u afpreekt
(dat) hij/zij/het afpreekt
(dat) wij afpreken
(dat) jullie afpreken
(dat) zij afpreken

Verleden tijd (bijzin)

(dat) ik afpreekte
(dat) jij afpreekte
(dat) u afpreekte
(dat) hij/zij/het afpreekte
(dat) wij afpreekten
(dat) jullie afpreekten
(dat) zij afpreekten

Gebiedende wijs

Imperatief

preek af

Onpersoonlijke vormen

Infinitief

afpreken

Gerundium

afpreken

Onvoltooid deelwoord

afprekend

Voltooid deelwoord

afgepreekt

Vervoegingen: Wiktionary (via kaikki.org), bewerkt, licentie CC BY-SA 4.0.